Op zoek naar haar voorouders stuit de auteur op de heropvoedingskolonies in het Drentse Veenhuizen.
In drie enorme kazernes werden daar vanaf 1823 tienduizenden arme stedelingen, wezen, bedelaars en landlopers door tucht en landarbeid gedrild tot nuttige burgers.
Wat begon als een bevlogen project om de armoede in Nederland in twaalf jaar uit te roeien, veranderde al snel in een fuik. Meerdere malen vertrekt een voorouder om al snel weer terug te keren. Het stigma van de kolonie maakte een leven in de vrije wereld praktisch onmogelijk.
Toch lukt het haar betovergrootmoeder haar eigen leven buiten de kolonie op te bouwen, - zij het een uiterst armoedig bestaan. Onvermijdelijk krijgen de nakomelingen te maken met de 20e eeuwse opvoedingsexperimenten: de woonscholen in Amsterdam-Noord.